De aanwezigheid van militairen in de Belgische straten is niet langer echt uitzonderlijk. Wat in 2015 in allerijl werd beslist, is geleidelijk uitgegroeid tot een reflex in periodes van spanning. De recente beslissing van de regering om opnieuw militairen in te zetten voor de bescherming van Joodse instellingen past in die continuïteit. Ze zegt veel over de werkelijke staat van onze veiligheid: een fragiel evenwicht tussen een aanhoudende dreiging, een gebrek aan middelen en politieke afwegingen.
Alles gaat terug tot januari 2015. In Verviers wordt een zwaarbewapende terreurcel ontmanteld terwijl die op het punt staat om aanvallen uit te voeren op politieagenten. Tegelijkertijd tonen de aanslagen in Parijs aan dat er directe banden bestaan met netwerken in België. Het land ontdekt plots dat het zich niet aan de rand van de dreiging bevindt, maar er middenin zit. Een jaar later zullen de aanslagen in Brussel in 2016, met 32 doden en meer dan 300 gewonden, deze realiteit op tragische wijze bevestigen.
Sindsdien is het dreigingsniveau in België hoog gebleven, met regelmatige schommelingen tussen niveau 2 en 3 op een schaal van 4, en sporadische stijgingen naar niveau 4 in kritieke periodes. De aanslag van oktober 2023 in Brussel, waarbij twee Zweedse supporters om het leven kwamen, heeft nogmaals aangetoond dat de dreiging nooit verdwenen is. Volgens het OCAD worden nog steeds honderden personen opgevolgd wegens radicalisering, terwijl de inlichtingendiensten spreken van een dreiging die diffuser en minder voorspelbaar is geworden.
Tegelijk staat de politie, en in het bijzonder de federale politie, onder constante druk. De cijfers spreken voor zich: duizenden vacatures blijven openstaan, met een structureel tekort van meer dan 2.000 agenten in bepaalde cruciale functies. De vergrijzing van het personeel, niet-vervangen pensioneringen en de moeilijkheid om gespecialiseerde profielen aan te trekken, verzwakken het geheel. De federale gerechtelijke politie moet complexe terrorismeonderzoeken voeren en tegelijk de lokale zones ondersteunen, wat leidt tot een chronische overbelasting en moeilijke prioriteitskeuzes.
De problemen zijn niet alleen menselijk, maar ook organisatorisch. Na de aanslagen van 2016 hebben onderzoeken ernstige tekortkomingen blootgelegd in de uitwisseling van informatie tussen diensten. Ondanks verbeteringen zijn deze problemen nog niet volledig opgelost. Ook de vertragingen in de informaticaprojecten van de politie blijven wegen op de algemene efficiëntie van het systeem.
In deze context heeft het beroep op het leger zich opgedrongen als een pragmatische oplossing. Met Operatie Vigilant Guardian, gelanceerd in 2015, werden soms tot 1.800 militairen tegelijk ingezet om gevoelige locaties te beveiligen. Hun rol is duidelijk: een afschrikkende aanwezigheid verzekeren en statische bewakingsopdrachten overnemen, zodat politiemensen kunnen worden vrijgemaakt voor meer gespecialiseerde taken.
Maar deze oplossing heeft een prijs. Ook Defensie kampt met een chronisch gebrek aan middelen. Jarenlang bleef het Belgische defensiebudget onder 1% van het bbp, ver onder de NAVO-doelstelling van 2%. Pas recent zijn er inspanningen aangekondigd om dit gat te dichten. Intussen betekent de inzet van militairen op het nationale grondgebied minder beschikbaarheid voor training, internationale missies en operationele voorbereiding.
De juridische basis voor deze inzet ligt in het principe van bijstand aan de civiele autoriteiten. In geval van een ernstige dreiging en een tekort aan politiecapaciteit kan het leger worden ingeschakeld. In theorie gaat het om een tijdelijke en uitzonderlijke maatregel. In de praktijk roept de herhaling ervan een fundamentele vraag op: bevinden we ons nog in het uitzonderlijke, of zijn we al op weg naar normalisering?
De recente beslissing om opnieuw Joodse instellingen te beschermen illustreert deze ambiguïteit perfect. Sinds de escalatie van het conflict in het Midden-Oosten is het aantal antisemitische incidenten in Europa sterk toegenomen. Ook in België zijn de meldingen fors gestegen volgens Unia en de politiediensten, met feiten variërend van verbale bedreigingen tot vandalisme tegen synagogen, scholen en culturele centra. In deze context achtte de regering het noodzakelijk om de beveiliging onmiddellijk te versterken, bij gebrek aan voldoende politiecapaciteit.
Deze reactie is begrijpelijk, maar ze heropent een oud debat. Voor sommigen toont ze vooral aan dat de noodzakelijke structurele hervormingen niet zijn doorgevoerd. Voor anderen draagt ze bij aan de banaliserering van een militaire aanwezigheid in het straatbeeld die uitzonderlijk zou moeten blijven. Nog anderen maken zich zorgen over de bijkomende druk op een Defensie die al verzwakt is.
In wezen is de aanwezigheid van militairen in onze straten minder het teken van een doordachte strategie dan van een systeem onder spanning. Ze weerspiegelt jaren van onderinvestering, onafgewerkte hervormingen en een aanhoudende moeilijkheid om te anticiperen in plaats van te reageren. Ze toont ook een politieke realiteit: in crisissituaties kiezen regeringen voor zichtbare, onmiddellijke oplossingen, zelfs als die de onderliggende problemen niet aanpakken.
Veiligheid is nooit vanzelfsprekend en heeft een prijs. Vandaag staat België op een kruispunt. Zonder een echte versterking van de federale politie, zonder modernisering van de inlichtingendiensten en zonder een duidelijke hervorming van het wettelijke kader — met name van de wet op het politieambt van 1992 — dreigt het leger een permanente noodoplossing te worden.
Sinds 2015 geven onze veiligheidsdiensten te vaak de indruk achter de feiten aan te lopen. Terugkeren naar een logica van anticipatie vereist middelen, hervormingen, maar vooral politieke wil. Want uiteindelijk staat niet alleen onze veiligheid op het spel, maar ook de geloofwaardigheid van de staat zelf.




