De achterkant van de oorlog: waarom defensie niet zonder industrie kan

AccueilNederlandsDe achterkant van de oorlog: waarom defensie niet zonder industrie kan

België investeert opnieuw in defensie. Na decennia waarin de krijgsmacht vooral leerde omgaan met schaarste, wordt vandaag opnieuw fors geïnvesteerd in gevechtsvliegtuigen, gepantserde voertuigen, munitie en digitale capaciteiten. Dat is begrijpelijk. De Europese veiligheidsomgeving is fundamenteel veranderd en de Russische invasie van Oekraïne heeft op pijnlijke wijze duidelijk gemaakt dat een klassieke grootschalige oorlog geen theoretisch scenario meer is.

Toch roept deze herbewapening een ongemakkelijke vraag op. Wat betekent militaire modernisering als de industriële basis waarop ze steunt onvoldoende meegroeit? De oorlog in Oekraïne toont immers iets wat in West-Europa lange tijd naar de achtergrond verdween: een leger vecht niet alleen met wapens, maar ook met fabrieken, toeleveranciers, softwarebedrijven, researchfaciliteiten, logistieke ketens en financiële instellingen en vooral een soepele werking tussen deze verschillende actoren. Wie die achterliggende infrastructuur en ad hoc werkwijze niet op orde heeft, botst vroeg of laat op de grenzen van zijn militaire capaciteit.

Die vaststelling is overigens niet nieuw. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verwees generaal George S. Patton met zijn bekende uitspraak dat hij « niet twee keer voor hetzelfde terrein wilde betalen » naar het gevaar van doctrinaire rigiditeit. De context is uiteraard anders, maar de onderliggende gedachte blijft relevant. Ook vandaag bestaat het risico dat investeringen vertrekken vanuit aannames die door technologische ontwikkelingen sneller worden ingehaald dan beleidsprocessen kunnen volgen.

België lijkt zich daarvan bewust te zijn. Anders dan tijdens de twintigste eeuw wordt niet gekozen voor een klassieke oorlogseconomie waarbij de overheid productiecapaciteit rechtstreeks controleert. De nadruk ligt eerder op samenwerking tussen overheid, industrie en kennisinstellingen. Dat is wellicht ook de enige realistische keuze voor een kleine open economie.

De oprichting van SFPIM Defence is in dat opzicht een opmerkelijke beleidswijziging. Jarenlang beperkte de overheid zich grotendeels tot het aankopen van defensiematerieel. Vandaag wordt opnieuw geïnvesteerd in bedrijven die strategische technologie ontwikkelen. Daarmee erkent de overheid impliciet dat industriële capaciteit zelf een veiligheidsbelang is geworden.

Een gelijkaardige evolutie is zichtbaar bij sectororganisaties zoals Agoria en Voka. Zij proberen ondernemingen die oorspronkelijk geen defensieactiviteiten hadden, te begeleiden richting de zogenaamde dual-use-markt. Dat zijn bedrijven waarvan de technologie zowel civiel als militair toepasbaar is. Denk aan artificiële intelligentie, sensoren, cyberveiligheid of geavanceerde productietechnieken. Precies daar ligt wellicht een belangrijk concurrentievoordeel voor België, dat nauwelijks nog over klassieke zware defensie-industrie beschikt maar wel een sterke technologische en logistieke sector heeft.

Ook het SHIELD-plan past binnen die bredere evolutie. Nationale veiligheid wordt daarin niet langer beschouwd als een exclusieve verantwoordelijkheid van Defensie. Energievoorziening, telecommunicatie, cyberweerbaarheid en logistiek worden expliciet onderdeel van dezelfde veiligheidsarchitectuur. Dat sluit aan bij de vaststelling dat moderne conflicten zich niet beperken tot het slagveld.

Toch zou het voorbarig zijn te besluiten dat daarmee alle structurele problemen zijn opgelost.

Een eerste discussie betreft de militaire doctrine. Via het CaMo-programma koos België bewust voor een verregaande integratie met de Franse landmacht. Die keuze biedt onmiskenbare voordelen op het vlak van interoperabiliteit, opleiding en logistieke ondersteuning. Ze vermindert bovendien de versnippering die kleinere legers traditioneel parten speelt.

De oorlog in Oekraïne heeft echter aangetoond hoe snel operationele inzichten kunnen veranderen. De combinatie van goedkope drones, loitering munitions, satellietverkenning en uitgebreide mijnenvelden heeft het klassieke manoeuvregevecht ingrijpend gewijzigd. Voertuigen die enkele jaren geleden nog als modern golden, opereren vandaag onder totaal andere dreigingsomstandigheden. Dat betekent niet automatisch dat eerdere investeringsbeslissingen verkeerd waren, maar wel dat doctrines voortdurend moeten kunnen worden aangepast. Interoperabiliteit mag geen synoniem worden voor intellectuele rigiditeit.

Minstens even belangrijk is de manier waarop Defensie met innovatie omgaat.

Technologische ontwikkeling verloopt vandaag in cycli van maanden eerder dan jaren. Vooral software, drones en elektronische oorlogvoering evolueren bijzonder snel. Overheidsprocedures volgen dat tempo zelden. Bedrijven signaleren geregeld dat aanbestedingen zo lang aanslepen dat een product tegen de uiteindelijke bestelling al verschillende generaties verder staat. Dat is geen uitsluitend Belgisch probleem, maar in een technologisch conflict wordt administratieve traagheid steeds meer een operationeel nadeel.

Daarmee hangt een derde uitdaging samen die opvallend weinig aandacht krijgt: financiering.

Heel wat Belgische ondernemingen beschikken over relevante technologie, maar hebben investeringskapitaal nodig om productie op te schalen. Precies daar lopen verschillende bedrijven vast. Commerciële banken blijven defensie gerelateerde projecten vaak als risicovol of reputatiegevoelig beschouwen, mede onder invloed van een strikte interpretatie van ESG-criteria (Environmental Social Governance). De Europese Commissie en de NAVO wijzen er steeds nadrukkelijker op dat defensie een legitieme economische activiteit is, maar die beleidswijziging vertaalt zich nog niet overal in een soepelere kredietverlening.

Dat is meer dan een financieel detail. Zonder toegang tot kapitaal blijven veel ambitieuze projecten steken in de ontwikkelingsfase. Een veiligheidsstrategie die sterk rekent op de private sector heeft weinig kans op slagen wanneer precies die ondernemingen moeilijk aan financiering raken.

De discussie over defensie wordt daarom te vaak herleid tot de omvang van de begroting. Budgetten zijn noodzakelijk, maar vormen slechts één onderdeel van een veel groter geheel. Weerbaarheid ontstaat uit de wisselwerking tussen overheid, industrie, kennisinstellingen en financiële markten. Pas wanneer die elementen elkaar versterken, ontstaat een defensieapparaat dat zich ook tijdens een langdurig conflict kan aanpassen.

Misschien is dat wel de belangrijkste les van Oekraïne. Niet dat tanks of drones belangrijker zijn geworden dan vroeger, maar dat het vermogen om nieuwe technologie snel te ontwikkelen, te produceren en operationeel in te zetten minstens even doorslaggevend is geworden als het bezit van het materieel zelf.

België heeft de eerste stappen gezet richting een bredere veiligheidseconomie. De komende jaren zullen uitwijzen of ook de institutionele cultuur die omslag kan volgen. Want uiteindelijk bepaalt niet alleen wat een land aankoopt zijn militaire slagkracht, maar vooral hoe snel het zich kan aanpassen wanneer de volgende oorlog er anders uitziet dan de vorige.

Annonce publicitairespot_imgspot_img

Articles les plus populaires